Laatst vroeg iemand “waarom ik Danielle Lemaire zo goed vind?”. Qua formulering een bijna achteloze, luie vraag. Want makkelijkere kwalificaties dan ‘goed’ of ‘slecht’ zijn er natuurlijk niet. Maar toch besloot ik die vraag als een uitdaging te beschouwen om daar nou eens op in te gaan. Echt antwoord op te geven. En overigens is het wel de eerste gewaarwording, die ik althans, inderdaad heb, voor nog naar details te kijken, dat ik denk ‘alles klopt, wat goed gedaan!’.

En dat zit hem dan in de smeuïg uitgewerkte glans van haarpartijen, de heerlijke dans van krullen, het smullen van de verbeelding van de rimpeling van water met de meest simpele waterverf streken. De inzet van decoratieve patronen.

Dan constateer je hoe geraffineerd en effectief de tegenstelling tussen luchtige, directe ‘in één keer goed’ aanraking met verf en de vergaande, tijdrovende detaillering met potlood is benut. Tal van vondsten om zaken beeldend op te lossen, Hoe uitgebalanceerd de hele compositie in elkaar steekt. Maximaal effectbejag – in de meest positieve zin van het woord. En dan ga je verder kijken.

Met name in de literatuur was er een kreet die opgeld deed en nog steeds wel doet: ‘magisch realisme’. Dat is wat het werk van Danielle ook is: het opladen van de werkelijkheid met een niet zichtbare, maar wel voelbare gelaagdheid, spanning en betekenis.

En dat de term uit de literaire wereld afkomstig is, is in zoverre heel toepasselijk, dat je bij haar ook meteen voelt dat overal een verhaal achter zit. Dat verhaal wordt verteld, zowel in de afgebeelde ingrediënten die een werk bevat, maar meer nog – als al aangetipt – in de beeldende oplossingen.

Laten we ons eens verdiepen in een paar verhalen in de hier opgenomen werken. Er zijn bijvoorbeeld de gezichten waar van alles op te lezen valt. In dit geval dan niet door de gelaatsuitdrukking, maar gezichten die letterlijk beschreven worden met historie en associaties. “Kapsel & interieur”: een weggeveegd gezicht, vervangen door de aanwezigheid van een knusse woonkamer, een prachtig kleedjespatroon, dat tegelijkertijd als een soort walm het gezicht in waait.

Maar hoe warm en gezellig ook, de kamer is wel leeg, de mensen zijn nadrukkelijk afwezig. Hun voorafgaande aanwezigheid zit in alles – kijk maar eens naar zo’n schemerlamp, zo’n bank met weldadige kussens om in weg te zakken. Die leegte geeft toch een bepaalde melancholisch stemmende ‘holheid’ aan het hele gezicht.

Welke afwezigheid is de belichaming van welk gemis? Wat is datgene wat na de optelsom ontbreekt? Aan- en afwezigheid worden een thema op zich. Haar gedeeltelijk Indische achtergrond, een rijk verleden van herinneringen, nog deels op het netvlies hangende beelden, nog bijna te ruiken kruidige geuren, kakofonische geluiden en nadrukkelijke stiltes, komt hier ook een partij in de muziek mee spelen.

Dan zijn er de gezichten die achter plantaardige elementen schuil gaan, die zo op de voorgrond een symbolistische figurantenrol opeisen. Zoals bij “Amy (Winehouse)” de klimop die qua groeikracht en nadrukkelijke aanwezigheid de strijd aangaat met het befaamd weelderige en torenhoge kapsel van Amy.

De klimop is een woekerplant die uiteindelijk zijn gastheer/-vrouw nog wel eens de das omdoet. In sommige culturen worden er giftige brouwseltjes ter bezwering van getrokken. In het geval van Amy weten wie er uiteindelijk de strijd verloren heeft. Rolverwisseling, betekenisparallellen, terugkeer van elementen, maar dan net anders – werk van Danielle Lemaire bestaat uit beeldpoëzie die rijmt.